Een verrassende bekentenis uit Maranello zet de trend van touchscreens in een nieuw daglicht. Ferrari voert fysieke knoppen terug in het interieur van zijn eerste EV en noemt dat bewust ‘phygital’.
Waarom touchscreens eigenlijk geen innovatie waren
De laatste jaren werden touchscreens in auto’s vaak gepresenteerd als vooruitgang: moderner, netter en toekomstbestendig. In werkelijkheid zat er bij veel merken vooral een rekensom achter de keuze voor gladde schermen in plaats van ouderwetse knoppen. Ferrari’s topman gaf openlijk toe dat de overstap vooral een financiële beslissing was, met flinke besparingen op componenten en assemblage.
Dat heeft gevolgen gehad voor gebruikerservaring en ergonomie. Besturingselementen die vroeger direct en voelbaar waren, verdwenen achter menu’s en veegbewegingen. Voor chauffeurs betekent dat meer aandacht van de weg om essentiële functies te bedienen, wat niet altijd wenselijk of veilig is.
Extra aandacht voor menselijke factoren is hierbij handig: het gaat niet alleen om esthetiek of kosten, maar om hoe een bestuurder taken uitvoert tijdens verschillende rijomstandigheden. Kleine, tastbare stappen zoals het voelen van een knop of het draaien van een knop geven snelle bevestiging zonder naar het scherm te hoeven kijken.
De cijfers en logica achter de wijziging
In praktische termen zijn virtuele schakelaars aanzienlijk goedkoper in productie dan fysieke onderdelen; de besparing kan volgens insiders oplopen tot ongeveer de helft van de kosten. Minder losse onderdelen betekent minder kabels, minder montagewerk en eenvoudiger hergebruik van hardware over verschillende modellen. Voor autofabrikanten levert dat schaalvoordelen en minder ontwikkelverplichtingen per functie.
Die kostendruk geldt ook voor premiummerken: zelfs luxefabrikanten zagen in dat digitale knoppen aantrekkelijk waren voor marges en uniformiteit in de productlijn. Maar gebruikers klagen doorgaans over onhandige bediening, met name bij taken die snel en intuïtief moeten gebeuren, zoals klimaatregeling of radio-aanpassingen tijdens het rijden.
De financiële logica is duidelijk, maar dat betekent niet dat touchscreens per definitie slecht zijn; waar complexere functies en personalisatie gewenst zijn, biedt software voordelen die fysieke knoppen niet hebben. Het dilemma blijft dus een afweging tussen kosten, functionaliteit en dagelijkse bruikbaarheid.
Ferrari’s ‘phygital’ aanpak in de Luce: tactiele knoppen terug
Bij de nieuwe Ferrari Luce, het merk’s eerste volledig elektrische model, is gekozen voor een andere route. Hier verschijnen fysieke schakelaars weer op cruciale plekken: het stuur, de klimaatbediening en veelgebruikte knoppen krijgen tastbare feedback. Ferrari spreekt van een ‘phygital’ filosofie — een mix van fysiek en digitaal — waarbij touchscreens blijven bestaan maar niet ten koste gaan van directe bediening.
Die beslissing is praktisch en doelgericht: waar snel, nauwkeurig of frequent ingrijpen nodig is, werkt een echte knop of draaiknop vaak beter. Voor sportwagens en performancegerichte modellen is dat extra relevant; tijdens dynamisch rijden wil een bestuurder geen tijd verliezen aan menu’s of onduidelijke aanrakingen.
In de praktijk betekent dat het scherm voor complexe instellingen en infotainment kan blijven, terwijl primaire functies met één beweging beschikbaar zijn. Die scheiding helpt om zowel moderne software-ervaring als rijspecifieke veiligheid en gemak te bieden.
De ironie van een Apple-ontwerper aan boord
Een curieus detail in dit verhaal is de betrokkenheid van LoveFrom, het designbureau van ex-Apple-icoon Jony Ive, bij de Luce. Ive stond aan de wieg van de touchscreenrevolutie in consumentenelektronica, en nu helpt hij mee interfaces te ontwerpen die fysieke elementen terugbrengen in auto-interieurs.
Dat toont aan dat goed ontwerp geen dogma is maar contextgebonden: wat in een telefoon werkte, is niet per se ideaal in een rijdend voertuig. Dus zelfs designers die touchscreen-ervaringen hebben gevormd, erkennen dat tactiele bediening in auto’s unieke voordelen biedt.
Deze gelaagde benadering benadrukt dat ontwerpers niet teruggaan naar ouderwetse oplossingen, maar slimmer combineren wat werkt voor de gebruiker in beweging. Het is een verschuiving van één oplossing voor alles naar een taakgerichte mix.
Brede verschuiving in de industrie: niet alleen Ferrari
Ferrari is niet de enige die de balans tussen knoppen en schermen heroverweegt. Sommige luxemerken zoals Rolls-Royce hielden traditioneel al vast aan tastbare elementen voor belangrijke functies, en dat betaalt zich uit in gebruiksgemak en beleving. Maar wat nieuw is: ook volumeproducenten zoals Hyundai en Volkswagen schuiven terug richting fysieke controles waar dat zinnig is.
Die omslag komt voort uit feedback van klanten en praktische tests. Consumenten ervaren vaak frustratie bij het bedienen van essentiële functies via touchscreens, vooral tijdens het rijden. Fabrikanten luisteren nu meer naar die signalen omdat gebruikerservaring invloed heeft op reviews, veiligheidsscores en merkloyaliteit.
Het is een kentering die aangeeft dat marktfeedback en rijtests echte invloed hebben op ontwerpkeuzes, niet enkel marketingtrends. Daardoor ontstaan interieurs die meer gericht zijn op dagelijkse bruikbaarheid in plaats van alleen visuele impact.
Wat betekent dit voor autokopers en gebruiksgemak?
Kort gezegd: wie een auto kiest, moet scherp letten op hoe functies worden bediend, niet alleen op het uiterlijk van het scherm. Een strak dashboard met één groot touchscreen ziet er modern uit, maar kan in de dagelijkse praktijk irritant zijn. Sterke argumenten om te letten op de aanwezigheid van fysieke knoppen zijn veiligheid, intuïtiviteit en ritcomfort.
Voor liefhebbers van rijden en praktisch gebruik is de terugkeer van tastbare bediening een goede ontwikkeling. Het betekent dat fabrikanten beginnen te erkennen dat technologie in dienst moet staan van de bestuurder, niet andersom. De phygital-aanpak belooft het beste van twee werelden: moderne softwarefeatures gecombineerd met betrouwbare, voelbare bediening.
Bij proefritten loont het om bewust functies te testen tijdens rijden of in realistische scenario’s; een knop die blind te vinden is, kan het verschil maken tussen een prettige rit en een afleidende ervaring. Dergelijke kleine momenten bepalen uiteindelijk hoe fijn een auto dagelijks aanvoelt.
Conclusie: kosten, comfort en toekomstbestendige interfaces
De verklaring van Ferrari maakt één ding duidelijk: de touchscreengolf was deels een kostenkeuze, niet louter een designrevolutie. Nu merken als Ferrari, maar ook anderen in alle segmenten, fysieke knoppen weer opnemen, verandert het debat van ’touchscreen of niet’ naar ‘wat werkt het beste voor de bestuurder’.
Wie op zoek is naar een nieuwe auto doet er verstandig aan om bedieningservaringen zelf te testen. Een fraaie interface is belangrijk, maar echte gebruiksvriendelijkheid wordt vaak bepaald door die simpele, tastbare momenten: draaien, klikken en voelen. De industrie lijkt dat nu langzaam weer te begrijpen — en dat is goed nieuws voor iedereen die liever op de weg blijft letten dan op het scherm.
FAQ
Waarom kiest Ferrari weer voor fysieke knoppen?
Ferrari noemt kosten, ergonomie en veiligheid als redenen: fysieke knoppen geven tastbare feedback en verminderen afleiding tijdens het rijden.
Maakt dit het touchscreen overbodig?
Nee. De phygital-aanpak combineert fysieke knoppen voor primaire functies met touchscreens voor complexe instellingen en personalisatie.
Waar moet je op letten bij het kopen van een auto met veel touchbediening?
Let bij een proefrit op of veelgebruikte functies blind bedienbaar zijn, hoe snel je instellingen kunt veranderen en of bediening afleidt tijdens het rijden.
Bron: Autocar India








