Een UvA-onderzoeker stelt voor alle auto’s te begrenzen: geen verkoop meer van modellen die sneller kunnen dan 120 km/u en retrofitting van oudere auto’s. Het idee splitst meningen — van ‘logische veiligheidsstap’ tot ‘inbreuk op vrijheid’.
Waarom het gesprek over snelheidsbegrenzers opeens opgelaaid is
De oproep om auto’s te limiteren komt niet uit een politieke campagne maar uit de academische wereld, van een mobiliteitsonderzoeker die ook aan het Urban Cycling Institute verbonden is. Het voorstel richt zich op twee dingen: auto’s die meer dan 120 km/u kunnen en het inbouwen van snelheidsbegrenzers in bestaande voertuigen.
De aanleiding is praktisch en emotioneel tegelijk: op veel wegen wordt structureel harder gereden dan is toegestaan en dat levert slachtoffers en boetes op. Volgens de onderzoeker is moderne auto-techniek daar mede de oorzaak van omdat het eenvoudiger dan ooit is om hoge snelheden te halen.
Een extra kant van het verhaal is dat snelheid niet alleen statistieken beïnvloedt, maar ook hoe mensen wegen ervaren: harder rijdend verkeer verandert perceptie van veiligheid, gebruik van de openbare ruimte en de acceptatie van andere weggebruikers. Dat maakt het debat ook maatschappelijk relevant buiten alleen verkeerscijfers.
Wat precies wordt voorgesteld en waarom 120 km/u?
Het kernidee is simpel: auto’s verkopen die harder dan 120 km/u kunnen zou aan banden gelegd moeten worden en bestaande voertuigen moeten een limiter kunnen krijgen. Dat laatste zou technisch haalbaar en relatief goedkoop zijn, aldus de pleitbezorger.
De keuze voor 120 km/u fungeert als compromis tussen snelweggebruik en veiligheid. De onderzoeker noemt dat auto’s met extreme acceleratie en topsnelheid in stedelijke en stedelijke-achtige omgevingen een risico vormen en dat die eigenschappen niet noodzakelijk zijn voor dagelijks vervoer.
Die drempel van 120 km/u valt niet uit de lucht: het is een pragmatische afweging tussen prestaties die nodig zijn voor interstedelijke ritten en de excessen die in stedelijk verkeer weinig nut hebben. Daardoor ontstaat ruimte voor debat over waar comfort ophoudt en onnodig risico begint.
Hoe zou zo’n begrenzer technisch en praktisch werken?
Technisch zijn er meerdere opties: een hardwarebegrenzer gekoppeld aan het motormanagement, of een GPS-gebaseerde geofencing-oplossing die de maximale snelheid aanpast aan de locatie. Beide technologieën bestaan al en worden soms toegepast bij deelmobiliteit en e-scooters.
In de praktijk zou een auto bijvoorbeeld in woonwijken und bij schooltijden automatisch beperkt kunnen worden tot 30 km/u, terwijl snelwegsegmenten weer een hogere limiet toestaan. Daarmee ontstaat een flexibele benadering in plaats van één star maximum voor alle situaties.
Praktische implementatie vraagt duidelijke standaarden zodat fabrikanten en aftermarketbedrijven weten waaraan ze moeten voldoen, en zodat begrenzers niet te omzeilen zijn. Dat voorkomt fragmentatie in kwaliteit en zorgt dat systemen betrouwbaar blijven, ook na jaren gebruik.
Kosten, retrofitting en de vraag wie betaalt
Een grote vraag is natuurlijk wie de rekening betaalt voor het inbouwen van begrenzers in bestaande auto’s. De onderzoeker stelt dat de kosten beperkt zijn en dat maatschappelijke baten — minder letsel, minder ziekenhuisdagen — de investering snel terugverdienen.
Critici wijzen terecht op juridische en praktische obstakels: oude klassiekers, importauto’s en auto’s in particuliere handen zijn lastiger te reguleren. Daarnaast roept verplichting weerstand op bij wie zich aangetast voelt in persoonlijke vrijheid en autoplezier.
Praktische voorstellen om die kosten eerlijk te verdelen worden vaak genoemd, zoals gespreide subsidies of gerichte regelingen voor kwetsbare wijken, zodat de lasten niet onevenredig bij groepen terechtkomen die de investering het minste kunnen dragen.
De discussie: veiligheid versus individuele vrijheid
Het voorstel raakt een gevoelig punt: waar gaat veiligheid over en waar begint betutteling? Voorstanders benadrukken dat snelheid en massa de impact van een ongeluk bepalen en dat technologie inzetten om schade te voorkomen een logische stap is. Tegenstanders waarschuwen voor een glijdende schaal naar meer toezicht en minder keuzevrijheid.
Er zijn ook praktische zorgen: GPS-fouten, foutieve snelheidsprofielen en situaties waarin een bestuurder juist tijdelijk meer snelheid nodig heeft om gevaarlijke manoeuvres uit te voeren. Deze randgevallen vragen strikte technische eisen en noodprocedures als begrenzers worden ingevoerd.
In zo’n debat wegen emoties en rationele argumenten mee; duidelijkheid over doelen en grenzen helpt voorkomen dat discussies verzanden in polarisatie. Open communicatie over uitzonderingen en waarborging van rechten kan draagvlak vergroten bij sceptici.
Hulpdiensten, verkeersveiligheid en neveneffecten
Een veelgehoorde tegenwerping is dat hulpdiensten snel moeten kunnen rijden. De onderzoeker countert dat veel hulpdiensten vooral reageren op verkeersongevallen en dat minder ongevallen ook hun inzet efficiënter maakt. Bovendien zouden uitzonderingen voor hulpdiensten technisch regelbaar zijn.
Ook wordt gewezen op gedragsverandering: als algemene snelheidshindernissen verdwijnen, veranderen sociale normen en rijgedrag. Er bestaat het risico dat sommige bestuurders compenserend risicogedrag vertonen of meer afleiding zoeken, maar dat kan bestreden worden met handhaving en slimme ontwerpkeuzes.
Daarnaast kunnen ontwerpkeuzes in de auto zelf en in infrastructuur gecombineerd worden om neveneffecten te beperken, denk aan duidelijke feedback voor bestuurders en fysieke wegontwerpen die gewenst gedrag ondersteunen zonder constant ingrijpen.
Wat zijn realistische tussenstappen en alternatieven?
Een volledige verbod op auto’s die sneller dan 120 km/u kunnen halen is politiek en technisch ingrijpend. Kleinere stappen zijn realistischer: verplichting van snelheidswaarschuwingssystemen, subsidie voor retrofitting in kwetsbare gebieden, meer flitspalen in woonwijken en strengere controles rondom scholen.
Een andere route is het stimuleren van adaptieve cruisecontrol en ADAS-systemen die snelheid en afstand automatisch reguleren, gecombineerd met infrastructurele maatregelen zoals snelheidsremmende wegprofielen en fysieke scheidingen. Die mix kan verkeer veiliger maken zonder totale controle over de topsnelheid.
Kleine pilots in uiteenlopende gebieden kunnen aantonen wat werkt en wat niet, waardoor beleid op feiten kan worden bijgesteld in plaats van op aannames. Zo blijven keuzes adaptief en beter afgestemd op lokale omstandigheden.
Conclusie: keuze tussen snelheid, veiligheid en technologie
Het debat over snelheidsbegrenzers raakt fundamentele vragen over hoe mobiliteit in Nederland georganiseerd wordt. Is het doel maximale individuele vrijheid of het minimaliseren van slachtoffers en hinder? Technologie biedt nu mogelijkheden die tien jaar geleden nog ondenkbaar leken, maar implementatie vraagt scherpe normen, transparantie en draagvlak.
Een verstandig beleid begint met pilots, transparante kosten-baten-analyses en duidelijke uitzonderingsregels, zodat veiligheid wordt vergroot zonder de samenleving onnodig te polariseren.
De discussie is nog maar net begonnen, maar duidelijk is dat snelheid, techniek en menselijke keuzes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
FAQ
Hoeveel kost het om een snelheidsbegrenzer achteraf in te bouwen?
Kosten variëren per systeem en werkplaats, maar simplesoftware- of hardware-oplossingen kunnen relatief betaalbaar zijn; reken op enkele honderden euro’s tot meer voor geavanceerde geofencing-systemen.
Zou een limiter privacy- of veiligheidsproblemen kunnen veroorzaken door GPS-fouten?
GPS-gebaseerde begrenzers vragen strikte kwaliteitsnormen en noodprocedures; fouten zijn mogelijk maar technisch oplosbaar met redundantie en handmatige override voor noodgevallen.
Kunnen hulpdiensten en klassieke auto’s worden uitgezonderd van verplichtingen?
Ja, praktisch en juridisch zijn uitzonderingen mogelijk; beleid kan technische vrijstellingen of interoperabele systemen bevatten zodat hulpdiensten en erfgoedauto’s niet onnodig worden beperkt.
Bron: Autoblog








